Land van herkomst: Groot-Brittannïë.
FCI-NUMMER: 156.
Rasgroep: 1, sectie 1: Herdershonden.
Algemene verschijning: toont zich als een hond van grote schoonheid, die staat met onverstoorbare waardigheid, zonder dat een onderdeel in wanverhouding is met het geheel.
Kenmerken: lichaamsbouw en belijning verraden kracht en activiteit, zijn vrij van plompheid en zonder een spoor van grofheid. De expressie is van het grootste belang. Deze wordt verkregen door het samengaan van schedel en voorsnuit in perfecte balans, maat, vorm, kleur en plaatsing van de ogen, correct geplaatste en gedragen oren, daarbij de onderlinge verhoudingen tussen deze kwaliteiten in aanmerking nemend.
Aard: vriendelijke aard zonder een spoor van nervositeit of agressiviteit.
Hoofd en schedel: de kwaliteiten van het hoofd zijn van groot belang en moeten gezien worden in verhouding tot de grootte van de hond. Van voren of van opzij bezien lijkt het hoofd op een zuivere, goed afgestompte wig met een gladde omtrek. De schedel is vlak. De zijkanten zijn glad en lopen geleidelijk taps toe van de oren tot de zwarte neuspunt, zonder opvallende jukbeenderen en smalle snuit. In profiel bekeken liggen de bovenkant van de schedel en die van de snuit in twee parallelle rechte lijnen van gelijke lengte, gescheiden door een lichte maar waarneembare stop of onderbreking. Het middelpunt tussen de binnenste ooghoeken (wat het midden is van een correct geplaatste stop), is het lengte evenwichtspunt van het hoofd. Het einde van de gladde, goed ronde voorsnuit is stomp, nooit vierkant. De onderkaak is sterk en zuiver gemodelleerd. De schedeldiepte van de wenkbrauw tot de onderzijde van de kaak is nooit overmatig (deep through). De neuspunt is altijd zwart.
Gebit: tanden van goed formaat. Sterke kaken met een perfect, regelmatig en compleet schaargebit, dat wil zeggen de boventanden overlappen de ondertanden sluitend en staan haaks in de kaken.
Ogen: zeer belangrijk kenmerk, dat de zachte expressie geeft. De grootte is middelmatig (nooit erg klein). De ogen zijn enigszins schuin geplaatst, amandelvormig en donkerbruin gekleurd, behalve in het geval van blue merles, bij wie de ogen (één of beide, of een deel van één of beide) regelmatig blauw of blauw gevlekt zijn. De expressie is hoog intellligent, met een levendige, alerte oogopslag als de hond luistert.
Oren: k1ein, niet te dicht bij elkaar bovenop de schedel, maar ook niet te wijd uit elkaar. In rust naar achteren gedraaid, maar als de hond alert is, naar voren gebracht en gedeeltelijk rechtopstaand, met dien verstande dat ongeveer tweederde van het oor rechtop staat, terwijl eenderde op natuurlijke wijze naar voren tipt, tot onder de horizontale lijn.
Hals: gespierd, krachtig, tamelijk lang, goed gebogen.
Lichaam: in vergelijking met de hoogte is het lichaam iets lang. Sterke rug, die boven de lendenen iets welft. De ribben zijn goed gewelfd, de borst is diep en tamelijk breed achter de schouders.
Voorhand: de schouders liggen schuin en zijn goed gehoekt. De voorbenen zijn recht en gespierd, en draaien bij de ellebogen noch naar binnen, noch naar buiten. De botten zijn rond en matig van omvang.
Achterhand: de achterbenen zijn gespierd op de dijen, strak en pezig daar beneden. Goed gehoekte kniegewrichten. De hakken zijn tamelijk laag gesitueerd en krachtig.
Voeten: ovaal. De voetzolen hebben goede kussentjes. De tenen zijn gebogen en staan dicht tegen elkaar. De achtervoeten zijn iets minder gebogen.
Staart: lang; de wervels komen tenminste tot de punt van de hak. In rust laag gedragen, maar met een lichte opwaartse buiging aan de punt Bij opwinding mag de staart vrolijk worden gedragen, maar nooit over de rug.
Gangwerk/Beweging: de beweging is een specifiek karakteristiek van dit ras. Een goed gebouwde hond draait nooit zijn ellebogen naar buiten, maar in de beweging zet hij toch zijn voorvoeten verhoudingsgewijs dicht bij elkaar. Weven, kruisen of rollen zijn hoogst ongewenst. Van achteren bezien moeten de achterbenen van het hakgewricht tot de grond evenwijdig gaan, maar niet te dicht bij elkaar. Van opzij bezien is de beweging vloeiend. De achterbenen zijn krachtig en zorgen ruimschoots voor stuwkracht. Een redelijk lange en lichte pas is gewenst en moet moeiteloos ogen.
Vacht: passend over de belijning van het lichaam; zeer dicht. De bovenvacht is recht en voelt stug aan, de ondervacht is zacht en wollig en zeer gesloten, waardoor de huid bijna onzichtbaar is. Manen en bef zeer overvloedig, masker en gezicht kort behaard. De oren zijn kort behaard aan de tippen, maar dragen meer haar naar de basis toe. De voorbenen zijn rijk bevederd. De achterbenen hebben boven de hakken een rijk behaarde broek, maar zijn kort behaard onder het hakgewricht. Het haar op de staart is zeer overvloedig.
Kleur: de drie erkende kleuren zijn: sable en wit, tricolour en blue mede. Sable: elke schakering van licht goudkleurig tot rijk mahonie of donker met zwarte haarpunten. Lichte stro- of crèmekleur hoogst ongewenst. Tricoolour: overwegend zwart met rijke tan kleurige aftekeningen aan benen en hoofd. Een roestige tint in de bovenvacht is hoogst ongewenst. Blue mede: overwegend helder, zilverachtig blauw met zwarte spikkels of gemarmerd. Rijke tan aftekeningen hebben de voorkeur, maar het ontbreken ervan mag niet worden bestraft. Grote zwarte platen, leikleur of een roestige tint in boven- of ondervacht zijn hoogst ongewenst.
Wit aftekeningen: alle kleurslagen behoren in meer of mindere mate de voor de Collie typische witte aftekeningen te dragen. De volgende aftekeningen hebben de voorkeur: witte kraag, geheel of gedeeltelijk. Witte bef, benen en voeten en een witte staartpunt. Een bles op snuit en/of schedel is toegestaan.
Grootte: reuen: schouderhoogte 56-61 cm (22-24 inches); teven 51-56 cm (20-22 inches).
Fouten: elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.
N.B.: reuen behoren twee duidelijk normale teelballen te hebben die volledig in de balzak zijn ingedaald.




