Home

Verslag 3e fokkerijbijeenkomst

Verslag 3e fokkerijbijeenkomst 22 mei 2011

Berjan van Beers, de voorzitter van onze vereniging, heet alle deelnemers welkom. In het bijzonder een hartelijk welkom voor de gastspreker van de derde fokkerijbijeenkomst, de heer Drs. Robert van der Molen.

Jaap Koole introduceert het programma voor deze middag. Daarbij geeft hij aan dat deze middag niet bedoeld is om de integrale genetica te behandelen; daar heeft Robert van der Molen in de cursussen die hij verzorgt meerdere avonden voor nodig. Deze middag is wel bedoeld om een aantal basiselementen van de genetica op te frissen en mensen te prikkelen om zich verder te verdiepen in dit belangrijke onderwerp. Aan de hand van een tweetal vragen, blijkt dat ruim de helft van de aanwezigen actieve fokkers zijn en dat ruim de helft van de aanwezigen zich daadwerkelijk al heeft verdiept in genetica, bijvoorbeeld via de cursus AKK of K-1. Daarna wordt een korte vragenlijst uitgedeeld onder deelnemers. Jaap verzoekt de aanwezigen om de vragen individueel te beantwoorden; de formulieren zijn anoniem. Er worden op de bijeenkomst 33 formulieren ingevuld. De uitkomst hiervan wordt later in dit verslag behandeld (bijlage 1). Na het verzamelen van de vragenlijsten, geeft Jaap het woord aan de heer Robert van der Molen.

Van der Molen behandelt op een heldere en speelse manier een aantal basiselementen van de genetica:

  • Cel, celdeling, celkern, chromosomen, genen, DNA, locus
  • Homozygoot, heterozygoot, dominant, recessief
  • Monohybride kruising, P1, F1, F2 en reciprociteit
  • Schema’s van kruisingen
  • Vererving Merle factor, letale dominante factor, onvolkomen dominantie

Aan de hand van schema’s van kruisingen gaat Van de Molen o.a. in op kleurvererving. Hij geeft daarbij aan dat de statistische verhoudingen – zoals Mendel die heeft ontdekt – gelden voor de grote getallen; binnen één nest hoeft die statistische verhouding zich niet voor te doen. Ook de problematiek van het uitsluiten van genetisch materiaal kwam aan de orde. Let op dat je bij het maken van beleid op een enkel genetisch probleem, je niet ander waardevol genetische materiaal uitselecteert. Genetische variëteit dreigt hiermee te verminderen.

Van der Molen besteedt daarna aandacht aan diverse erfelijke ziektes bij de collie zoals PRA, CEA en andere. Aan de hand van schema’s licht hij de problematiek toe en geeft hij aan hoe erfelijke afwijkingen weg geselecteerd kunnen worden. Ook dan wijst hij erop dat selectief uitbannen van een bepaalde ongewenste eigenschap het gevaar in zich heeft dat een ander probleem wordt verwaarloosd of zelfs veroorzaakt (o.a. door die eerder genoemde reductie van genetische variëteit).

Na de pauze geeft de heer Van der Molen de zaal het woord en worden er door de deelnemers vragen gesteld met betrekking tot erfelijkheid en gebreken. Het probleem rondom de Radius Curvus (RC) staat hoog op het prioriteitenlijstje van enkele deelnemers in de zaal. De heer Van der Molen legt uit dat RC ongeveer inhoud, dat de groeisnelheid van botten in de voorpoten verschillend is en dat er daardoor kromme voorpoten ontstaan. Voorts geeft hij aan dat er over de erfelijkheid van RC tot nog toe weinig bekend is. Op dat gebied geeft hij de volgende suggesties:

  1. Probeer uit te zoeken of er in de stambomen van lijders gemeenschappelijke voorouders zitten; dit leidt mogelijk tot de bron van dit probleem als het erfelijk is.
  2. Onderzoek de invloed van milieu o.a. door te bezien of de samenstelling van de huidige voeding voor puppies en jonge honden anders van samenstelling is dan vroeger. Zitten er tegenwoordig bijvoorbeeld meer elementen in die de groei van de puppies en dus de botten extra stimuleren?
  3. Het is dan ook zinvol om voedingslijsten te verzamelen bij verschillende fokkers, met name met betrekking tot de voeding in de groeifase.
  4. Als dan blijkt dat voeding niet de oorzaak is van deze problematiek, kun je verder gaan met een volgend onderzoek, waarbij je systematisch oorzaken uitsluit.

Na de eerste opwelling van de problematiek met betrekking tot Radius Curvus RC, werden ook andere onderwerpen besproken, waaronder HD en epilepsie. Van der Molen geeft aan dat het van groot belang is dat zoveel mogelijk mensen meedoen aan inventarisaties op deze gebieden; veel inputgegevens leveren een beter beeld op, waardoor de vereniging een beter beleid kan opzetten.

Hier ligt een probleem: veel mensen doen niet mee en geven geen openheid van zaken. Feitelijk verzuimen deze leden daarmee medeverantwoordelijkheid te nemen voor de gezondheid van ons ras.

Ook gaat Van der Molen nog in op de relatie tussen de Merle factor en blindheid en doofheid; die relatie ligt in het volgende. De ontwikkeling van het endo-, meso- en ectoderm wordt “aangestuurd” door een aantal genen. De werking van die genen kan verstoord worden door andere genen. Het Merle gen is zo’n “verstorend” gen. Als dat Merle gen homozygoot aanwezig is, stoort dat de normale ontwikkeling van het ectoderm, dat uiteindelijk doorontwikkelt tot huid, zenuwstelsel en zintuigen. Die verstoring grijpt aan op de kleur van de vacht (pigmentatie), maar heeft ook invloed op de ontwikkeling van ogen en oren. Onder invloed van het Merle gen ontwikkelen deze zintuigen zich niet volledig, dat leidt tot blindheid en doofheid.

Als afsluiting van het programma wordt nog uitleg gegeven over fenotype en genotype, en gaat Van de Molen in op het uitfokken van een genetische aandoening binnen de colliepopulatie en hoeveel generaties daarmee gemoeid zullen zijn. Hij lichtte de theorie hierover toe aan de hand van het voorbeeld van een ANCon schaap (dwergschaap in Amerika).

Wilko Leenders sluit het middagprogramma af en deelt nog een formulier uit waarbij hij aan de deelnemers vraagt om de vragen op dit formulier zo spontaan mogelijk in te vullen. De vragen op het formulier zijn:

  1. Deze middag heeft mij geïnspireerd om mij aanvullend te verdiepen in genetica:
    1. Ja, omdat…..
    2. Nee, omdat……
  2. Het belangrijkste leermoment deze middag was…….
  3. In mijn persoonlijke fokaanpak ga ik nu meer letten op……

Jaap maakt nog een afsluitende opmerking: zoals aan het begin van de middag is aangegeven, had deze middag vooral tot doel om een aantal basiselementen uit de genetica op te frissen en voorts mensen te stimuleren om zich verder te verdiepen in dit belangrijke onderwerp. Immers, “het zo maar een nestje fokken” kan tegenwoordig eigenlijk niet meer; van elke fokker wordt verwacht dat hij kennis van zaken heeft, ook op het gebied van genetica. Jaap is er van overtuigd dat de uitleg van Van der Molen heeft bijgedragen aan die doelstelling! Hij bedankt de heer Van der Molen voor zijn heldere en stimulerende presentatie en wenst iedereen wel thuis en tot een volgende bijeenkomst.

Hierna wordt eerst het resultaat van de “kennistest” aan het begin van de derde fokkerijbijeenkomst gepresenteerd (bijlage 1), gevolgd door de beantwoording van de drie vragen aan het einde van die bijeenkomst (bijlage 2).

Bijlage 1: Resultaat van kennistest:

geneticascore

Bovenstaand grafiekje geeft een indruk van de genetische kennis binnen onze vereniging op basis van de test aan het begin van de 3e fokkerijbijeenkomst. Het gaat daarbij uiteraard om een beperkte steekproef (33 deelnemers). Bovendien was slechts de helft daarvan actief in de fokkerij; de andere helft waren belangstellenden. De drie aanwezige leden van de ICF en dhr. Van der Molen hebben de vragenlijst uiteraard niet ingevuld, omdat zij gezamenlijk de vragenlijst hebben samengesteld.

Toelichting: het maximaal te behalen aantal punten (= aantal juiste antwoorden) is 16. Niemand heeft alle juiste antwoorden gegeven. Wel 1 persoon die slechts 1 fout had (= 15 punten).

Gedachte-experiment: als de belangstellenden, die zich het minst verdiept hebben in genetica, de meeste fouten hebben gemaakt, dan komt dat overeen met alle scores ? 7 (= 16 deelnemers). Dat betekent dat de 17 fokkers ? 8 punten hebben gescoord. Concreet betekent dit, dat de helft van die fokkers ongeveer de helft van de vragen fout heeft beantwoord.

Een voorzichtige conclusie dat “hier nog verbetering mogelijk is” c.q. “hier is nog winst is te behalen” lijkt hier te rechtvaardigen………

NB: op de website van de Collieclub, onder ICF, staat een document met de juiste antwoorden en een toelichting daarop: http://www.collieclub.nl/index.php/icf/306-antwoorden3.html

In dat document worden voorts enkele literatuursuggesties gedaan…………

Bijlage 2: de beantwoording van de drie slotvragen

De slotvragen zijn door 29 mensen beantwoord.

1. Deze middag heeft mij geïnspireerd om mij aanvullend te verdiepen in genetica:

a. Ja, omdat…..

b. Nee, omdat……

  • 21 mensen optie A;
  • vijf mensen optie B;
  • één persoon voor zowel optie A als B;
  • twee personen geen van beide opties.

De begeleidende teksten liepen uiteen van: “heel erg interessant” en “heel belangrijk” tot “genetica is niet de oplossing voor alles”. Overwegend is er aangegeven dat er zeker geleerd is en dat het merendeel als belangrijk en interessant is ervaren. Er waren ook mensen die aangaven dat zij zich – vanwege het grote belang – al eerder hebben verdiept in genetica en dat zij vanmiddag niets nieuws geleerd hebben. Een en ander werd wel op een positieve manier gesteld.

2. Het belangrijkste leermoment deze middag was…….

  • Vraag 2 werd door 25 mensen beantwoord, door vier mensen werd deze vraag niet beantwoord, waarbij het plaatsen van een vraagteken is geïnterpreteerd als “niet beantwoord”.

De antwoorden liepen uiteen van ”ik vond alles belangrijk” tot “dat er toch heel wat meer achterzit”. Ook werden specifieke zaken genoemd zoals kleurvererving en DNA-testen. Enkele deelnemers hadden opgeschreven dat zij de onderlinge discussie ook erg nuttig vonden. Een aantal mensen gaf aan het moeilijke materie te vinden, maar wel wat geleerd te hebben. Conclusie kan zijn dat de overgrote meerderheid de lezing leerzaam vond.

3. In mijn persoonlijke fokaanpak ga ik nu meer letten op…

  • Deze vraag werd door 24 mensen beantwoord en door 5 mensen niet. Door 6 mensen werd aangegeven niet specifiek ergens meer op te gaan letten. Door 13 mensen werd aangegeven wel meer te gaan letten op een aantal zaken; daarover later meer. Door één persoon werd geantwoord dat hij of zij “geen idee” had. Door 2 personen werd aangegeven geen fokker (meer) te zijn: “extra opletten” is dus niet van toepassing meer. Door één persoon werd geantwoord dat hij of zij “zou willen dat er meer openheid komt bij fokkers”. Hierbij werd er tussen haakjes toegevoegd “keep on dreaming”.
  • Van de 6 mensen die antwoorden “niet meer te gaan letten op…” is de tendens dat zij naar aanleiding van de lezing eigenlijk nergens meer (extra) op hoeven te letten. Waarom ze dan nergens extra op gaan letten, is door de beantwoording van de vraag niet duidelijk. Het kan positief maar ook negatief worden uitgelegd. Wordt de beantwoording van vraag 2 erbij betrokken, zou er geconcludeerd kunnen worden dat vier van hen het wel positief bedoelen. Een van de leden geeft expliciet aan dat hij/zij de noodzakelijke kennis al heeft en dat ook toepast in de fokkerij.
  • Van de 13 mensen die aangaven “wel meer te gaan letten op…” kan het volgende opgetekend worden:
  • vijf geven aan meer te gaan letten op wat er bekend is van de (eventuele) voorouders. Dit willen zij doen door meer te letten op de lijnen achter die honden
  • één persoon geeft aan meer op gezondheid te gaat letten
  • vijf mensen geven aan meer te gaan letten op erfelijkheid en erfelijke aandoeningen
  • één persoon geeft aan meer te gaan letten op (de mogelijkheden van?) DNA testen
  • één persoon geeft aan meer te gaan letten op genetica
  • Tot slot gaf één persoon aan meer te gaan letten op genetische variëteit en meer DNA onderzoek.

Conclusie kan zijn dat een aantal mensen al heel goed bezig is. Het kan ook zijn dat zij niet doen aan zelfreflectie. Kortom: geen conclusie als het om de 6 gaat. Als het gaat om de 13 anderen die wel ergens meer op gaan letten, is dat alleen maar positief te noemen, hoewel het wel jammer is dat slechts 13 van de 29 respondenten hier iets positiefs mee willen/kunnen gaan doen.

Aanvullende gegevens